WILDKAMPEREN
met deze gasten

Journalist Wouter Woussen en fotograaf Titus Simoens trokken met mij 24 uren het bos in. Wat volgt is het artikel over deze kampeertrip zoals ze verscheen in De Standaard op zaterdag 19 Augustus 2017. De foto’s van Titus die de krant niet haalden krijgen jullie er gratis bij.

 

 

‘Het enige wat je achterlaat, is platgedrukt gras’

 

 

Als je van de natuur houdt, is het dan wel een goed idee om er middenin te gaan kamperen? Het grootste ongemak van de wildkampeerder is niet de kou of een harde ondergrond, maar een bezwaard geweten.

In de Oostkantons, tussen een kabbelend riviertje en een beboste helling met berk, fijnspar en beuk, bevindt zich een wild stukje grasland, dat net niet zichtbaar is vanaf de weg erboven en al evenmin bereikbaar voor de dichtstbijzijnde gsm-mast. Ergens in dat veldje ligt een vergrijsd boomstammetje met het opschrift T+V en een hartje eromheen. De V staat voor Veerle, die het hartje en de letters gekerfd heeft. De T staat voor Tim Zeegers, Veerles man, die op die plaats al twintig jaar stiekem komt kamperen.

Meestal is hij er niet langer dan één nacht. Alleen toen de kinderen klein waren, is hij er eens zes jaar lang niet geweest. Eén keer heeft hij er met tientallen vrienden afgesproken. Soms slaapt hij er helemaal alleen. Hij heeft er eens zijn tent opgeslagen toen er dertig centimeter sneeuw lag. Hij heeft er reeën gezien, een onweer doorstaan, griep gekregen, waardoor hij in zijn tentje lag te rillen van de koorts. Hij wijst naar een elzenbosje langs de rivier: ‘Vroeger kampeerden we gewoon daar, maar nu geraak je er niet meer door de begroeiing heen. Het is elke keer een beetje anders.’

Hij woont in Antwerpen, komt uit Hasselt en noemt zichzelf een stadsmens, ‘anders was ik wel in Limburg gebleven’. Toch voelt hij regelmatig de aandrang om de verharde weg achter zich te laten. Ooit trok hij tien maanden met een Toyota Land Cruiser door Afrika, maar hij deelt niet het snobisme van reizigers ‘die naar Yosemite vliegen, maar nog nooit de Platwijers hebben gezien’. De Belgische wildernis – Ardennen, Hoge Venen – vindt hij onderschat. Hij neemt een voorbeeld aan de Britse avonturier Alastair Humphreys, die een boek schreef over ‘microadventures’, korte, lokale expedities, in een weekend, of zelfs tussen twee werkdagen in. Dat gaan wij doen.

Op ‘zijn’ plek, bepaalt Tim de regels. De eerste is: ‘Niemand gaat kakken voor we voldoende hout gesprokkeld hebben.’ De tweede is dat je alleen dood hout verzamelt, want we zijn geen houtvesters. Ik sprokkel met het besef dat ik te gast ben op een plek waar ik de gebruiken en gevoeligheden niet ken. Het vuur geeft warmte en een gevoel van geborgenheid, maar het sluit ons ook af van de omgeving. Aan een kampvuur zie je niet verder dan elkaars gezicht.

’s Ochtends ben ik eerder wakker dan Tim. Mijn telefoon is uitgevallen en ik heb geen idee hoe laat het is. Het is al licht, maar de zon komt nog niet boven de heuvel uit. Het bos ruikt naar kruiden en hars. Dauw parelt in spinnenwebben tussen het gras. Ik wissel nieuwsgierige blikken met een brutale rode eekhoorn en twee winterkoninkjes. In het slijk staan verse sporen van reeën. Hier en daar is de bodem omgewoeld zoals alleen everzwijnen dat doen. Bij de koffie deel ik met Tim mijn teleurstelling dat er ’s nachts geen everzwijn door onze kampeerspullen is komen banjeren. Hij reageert met een wijsheid die ik zelf had kunnen bedenken. ‘Het avontuur laat zich niet forceren.’

Zodra de koffie op is, is het avontuur afgelopen. Nog voor de eerste wandelaars in het bos verschijnen, ziet de plek er weer uit zoals we ze hebben gevonden. De laatste en voornaamste regel van Tim is: ‘Het enige wat je achterlaat, is platgedrukt gras.’ Het is een van de belangrijkste dilemma’s van de natuurliefhebber: als je echt van de natuur houdt, laat je ze beter ongemoeid, maar hoe kun je houden van een plek waar je nooit komt? Het laatste dat je wilt, is de ongerepte natuur platlopen met horden gelijkgestemde bewonderaars. Het bezwaarde geweten van de wildkampeerder is een ongemak dat zwaarder weegt dan natte voeten, ongewassen handen of een iets te harde ondergrond.

 

 Echt contact

Ik praat erover met Esben Six, een natuurliefhebber die ‘toch een aantal keer per jaar’ gaat kamperen in natuurgebied, omdat de natuur hem vertrouwder aanvoelt dan een bemeubelde woonkamer. Hij beperkt daarbij zijn impact op het perfectionistische af, maakt nooit vuur, tenzij op een officiële vuurplaats, zet vaak zelfs geen tent op, maar slaapt in een hangmat, om de bodem niet te verstoren. Als je een heel mooi plekje vindt, moet je er volgens hem vooral niet gaan slapen. Beter blijf je dichter bij de weg, zodat je geen zeldzame soorten verstoort. Ik vraag hem of je dan niet beter helemaal thuis kunt blijven, maar dat vindt hij niet. ‘Als je niet vaak in de natuur komt, heb je minder besef van de waarde en de kwetsbaarheid ervan. Daarvoor is echt contact nodig. Maar ik ben niet naïef: ik besef dat we niet met elf miljoen Belgen weer in de natuur kunnen gaan leven. Als wildkamperen hier ooit een massale gewoonte wordt, hou ik ermee op.’

Praktisch

 

Wouter Woussen

Foto’s Titus Simoens